‘Hoe gaat het nu met je ?’ vroeg de chirurg op mijn controlebezoek.
Het ging vrij goed met mij, de littekens waren aan het genezen, ik kon weer slapen op alle kanten van mijn lijf en de vooruitzichten naar een leuke zumba-avond lagen weer in het verschiet.
‘Hebben er nog mensen in je familie problemen met de darmen?’
Och dokter, we vloeken wij daar allemaal wel eens op. En we lachen daar wat mee dat we de ambetantedarmgenen aan mekaar doorgeven.
Hij keek wat bedenkelijk. Waardoor ik ook wat bedenkelijk werd.
‘We hebben iets gevonden in je appendix en dat was niet zo goed’.
Pardon?! Say that again?
De minuten daarop kreeg ik een uitleg waarvan ik achteraf alleen nog maar de woorden ‘poliep’, ‘slijmen aan het vormen’, ‘stadium 1’, ‘FAP’, ‘erfelijke aandoening’, ‘kanker’, ‘nog op tijd bij’, ‘geluk gehad’, ‘dood’ en ‘verder onderzoek doen’ kon herinneren.
Er werd een colonoscopie of zoiets vastgelegd voor de week nadien en ik kon naar huis.
And then it hit me: ik kan doodgaan! Mijn zijn hier is beperkt. Er is nog zoveel dat ik wil doen, voelen, ruiken, ervaren…! Ik heb de wereld nog niet gezien, ben nog niet eens getrouwd, heb nog geen kind kunnen voelen groeien in mijn buik, niet kunnen ervaren hoe dat voelt, de liefde voor een kind…
Aan doodgaan denk ik als een oud bezeke, met verrimpelde sporen van leven en genoeg geschiedenis en verhalen achter de kiezen!
Ik heb het onderzoek ondergaan (das nog een verhaal op zich!) en alles is ok. Voor de komende 3 jaar hoef ik me geen zorgen te maken. Toch niet over een mogelijke darmkanker in mijn lijf.
Soms kan iets je helemaal veranderen, hoe klein ook, en sta je even stil. Toeme, ik moet meer uit mijn leven halen en het niet zo ‘vershappen’!